Toiletpapier
Ik maakte een ommetje. Dat kon dus nog. Mijn boekje zat niet lekker en ik moest de machine ervan weerhouden het op te lossen. Ik moet mijn boekje voelen, zo werkt dat nou eenmaal.
Een man was bezig een aanzienlijke hoeveelheid toiletpapier in zijn schuurtje te stoppen.
‘Goedemiddag, gaat het goed?’ zei ik.
‘Zo meteen hopelijk wel’, zei de man, licht hijgend, met onder elke arm vier rollen.
‘Dan gaat het nu dus niet goed?’ vroeg ik.
‘Weet u wat het is, meneer? Ik woon hier al veertig jaar met mijn vrouw. Gewoon samen. Dan heb je ook weleens van die huwelijkse zaken. Kent u dat?’
‘U bedoelt ruzie?’ gokte ik.
‘Ja, u begrijpt het. Als we dan ruzie hadden, ging ze altijd zo naar buiten kijken.’ Hij zette zijn elleboog op de stapel toiletpapier, met zijn hand onder zijn kin. Hij rolde met zijn ogen en zuchtte diep en luid.
Hij deed het heel soepel en snel, dat had hij vast vaker gedaan.
‘Dat duurde dan zeker een, twee, soms drie uur. Dan moest ik sorry zeggen en beloven dat ik het niet meer zou doen. Dan was alles weer goed.’ Hij moest even glimlachen.
‘Dan was ik even echt gelukkig, meneer. Kent u dat gevoel?’ Hij keek mij vragend aan.
‘Ik ben bekend met het gevoel, ja’, antwoordde ik snel.
‘Maar nu, meneer, nu is alles goed. We krijgen hulp en ondersteuning en zo, nog voordat er een ruzie komt’, zei hij enigszins geïrriteerd.
‘Oh?’, zei ik.
‘Het was altijd een ding, dat het op was. En dat was dan mijn schuld, dus ik dacht: als ik nu alles uit huis haal. Maar het lijkt niet te lukken, het wordt maar aangevuld en aangevuld.’ Hij keek miserabel naar mij.
‘Dan vraagt u toch gewoon aan de machine om, gewoon voor een uurtje, even niks meer aan te vullen?’
Hij maakte een sprongetje. Er vielen acht toiletrollen op de grond en hij ging op een holletje naar binnen.
‘Dag’, zei ik nog.
Het was wit toiletpapier.